Direct naar (in deze pagina): Hoofdnavigatie, Zoeken, English, Polski.
Huidig dossier: Pensioen (aanvullend) Direct naar (in de site): Arbeidsvoorwaarden Loon en (pre)pensioen
Het Nederlandse pensioenstelsel bestaat uit drie belangrijke onderdelen:
1. een basispensioen van de overheid voor iedereen van 65 jaar en ouder, de AOW;
2. een aanvullend pensioen via uw werkgever, een pensioen bovenop uw AOW. De werkgever neemt meestal meer dan de helft van de pensioenpremie voor zijn rekening;
3. individuele pensioenverzekeringen zoals levensverzekeringen en koopsomregelingen. Verzekeringen die iedereen vrijwillig kan afsluiten, bovenop de AOW en/of het aanvullend pensioen.
Vervroegd pensioen: VUT en prepensioen
VUT (Vervroegde Uittreding) en prepensioen zijn pensioenregelingen waardoor iemand voor zijn zijn 65-ste met pensioen kan. Het kabinet heeft de belastingvoordelen van deze regelingen per 1 januari 2006 afgeschaft. Bestaande vroegpensioenregelingen mogen worden voortgezet voor werknemers die op 1 januari 2005 55 jaar of ouder waren. Het kabinet heeft deze voordelen geschrapt omdat het belangrijk is dat ouderen juist langer blijven werken om de financiële gevolgen van de vergrijzing op te kunnen vangen.
De hoogte van uw uiteindelijke pensioen (AOW+aanvullend pensioen) is op de eerste plaats afhankelijk van het aantal jaren en het aantal uren per week die u hebt gewerkt. Over die jaren hebben u en uw werkgever pensioenpremie betaald.
U bouwt ieder jaar een vast percentage van uw loon op als toekomstige aanspraak op pensioen. Als dat percentage bijvoorbeeld 2% is dan bouwt u in 35 jaar werken in volledige dienst 70% (2%x35) van uw loon op als pensioen (AOW+aanvullend pensioen). In veel pensioenregelingen wordt 70% van uw loon een ‘volledig pensioen’ genoemd.
De hoogte van uw pensioen heeft ook te maken met de ontwikkeling van uw loon door de jaren heen. Wordt daarbij gekeken naar het loon dat u gemiddeld hebt verdiend dan is sprake van een middelloonregeling. Is uw laatst verdiende loon het uitgangspunt dan is sprake van een eindloonregeling. De meeste pensioenregelingen hanteren de middelloonregeling.
Deze vraag is niet met ja of nee te beantwoorden. Het antwoord hangt af van uw uitgavenpatroon na uw pensionering: hoe hoog zijn bijvoorbeeld uw woonlasten, wat kosten uw toekomstige plannen? Als u dat op een rijtje hebt gezet, kunt u dat vergelijken met uw pensioenuitkering. Dat laatste bedrag kunt u vinden in het jaarlijkse overzicht dat u van uw pensioenfonds krijgt. Komt u na deze rekensom tot de conclusie dat u na uw pensionering niet genoeg inkomen hebt, dan kunt u zelf nog een individuele pensioenverzekering afsluiten als aanvulling op uw AOW en/of aanvullend pensioen. U kunt ook bij uw pensioenfonds informeren of u kunt bijstorten.
In veel pensioenregelingen wordt 70% van uw laatstverdiende inkomen een 'volledig pensioen' genoemd. Als u op minder uitkomt hebt u een pensioentekort ook wel pensioengat genoemd.
Als u van baan verandert binnen een bedrijfstak waar de deelname aan de pensioenregeling verplicht is gesteld, verandert er voor u niets. Bij uw nieuwe werkgever loopt uw pensioenopbouw gewoon door bij het zelfde pensioenfonds.
In andere gevallen kunt u uw opgebouwde pensioen meenemen en onderbrengen bij de pensioenregeling van uw nieuwe werkgever. Dat heet waardeoverdracht. Bij het pensioenfonds van uw nieuwe werkgever moet u opvragen wat u al opgebouwde pensioenrechten waard zijn. Met andere woorden: hoeveel pensioenopbouwjaren krijgt u bij uw nieuwe pensioenfonds in ruil voor uw opgebouwde rechten. Waardeoverdracht kan een goed middel tegen pensioenbreuk zijn.
U kunt uw opgebouwde pensioenaanspraken ook bij uw oude pensioenfonds achterlaten. Dat kan nadelig uitpakken, bijvoorbeeld wanneer dat pensioen niet volledig wordt aangepast aan de loon- en prijsontwikkeling (niet geíndexeerd).
Let op: Volgens de Pensioenwet is waardeoverdracht niet toegestaan als de dekkingsgraad (de verhouding tussen de pensioenverplichtingen en de waarde van de bezittingen) van het pensioenfonds waarbij u weggaat of de dekkingsgraad van uw nieuwe pensioenfonds onder 100% is gezakt. Door de kredietcrisis is een aantal pensioenfondsen onder die grens terecht gekomen. Deze fondsen kunnen nu dus niet mee werken aan een verzoek tot waardeoverdracht.
De wettelijke plicht tot meewerken aan waardeoverdracht gaat weer gelden zodra de dekkingsgraad van beide pensioenfondsen boven de grens van 100% ligt. Als uw verzoek tot waardeoverdracht wordt afgewezen vanwege een te lage dekkingsgraad, dan ontvangt u te zijner tijd, wanneer de dekkingsgraad weer boven die grens ligt, automatisch bericht van uw pensioenfonds dat het weer kan meewerken aan waardeoverdracht.
In sommige pensioenregelingen is een aanvullend arbeidsongeschiktheidspensioen opgenomen. Als u volledig en duurzaam arbeidsongeschikt bent, krijgt u een IVA-uitkering (Inkomensvoorziening Volledig Arbeidsongeschikten) die is gebaseerd op de Wet inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). Deze uitkering is aan een maximum gebonden. Met een aanvullend arbeidsongeschiktheidspensioen krijgt u een aanvulling op de IVA-uitkering. Als u gedeeltelijk arbeidsongeschikt bent, krijgt u ook maar een gedeeltelijke aanvulling.
In veel pensioenregelingen is bepaald dat uw pensioenopbouw doorgaat als u arbeidsongeschikt bent. Als u gedeeltelijk werkt, betaalt u over dat deel mee aan uw pensioenopbouw. Voor het andere deel hoeft u niet mee te betalen aan uw opbouw. Pensioenfondsen kennen uiteenlopende regelingen op dit punt. Lees uw pensioenregeling dus goed na.
Werkloos worden heeft ingrijpende gevolgen. U verliest niet alleen uw werk, maar ook een deel van uw inkomen. Misschien stopt ook de opbouw van uw pensioen. Hierdoor kan het pensioen dat u later naast uw AOW ontvangt lager uitvallen dan u had verwacht.
Werknemers die op of na 1 januari 2010 WW-gerechtigd worden, komen echter niet meer in aanmerking voor een FVP-bijdrage. FVP heeft de intentie om het recht op FVP-bijdrage van werknemers die nu WW-gerechtigd zijn én voor 1 januari 2010 werkloos worden zoveel mogelijk ongemoeid te laten. FVP geeft voor deze groep werknemers echter geen harde garanties af.
Bij een gewone echtscheiding en bij een scheiding van tafel en bed heeft uw ex-partner recht op de helft van het pensioen dat tijdens het huwelijk of tijdens het geregistreerd partnerschap is opgebouwd. U kunt samen met uw ex-partner afwijken van deze wettelijke regel en andere afspraken maken.
Uw ex krijgt zijn of haar deel van het pensioen pas als u zelf met pensioen gaat. Meldt u de scheiding binnen twee jaar bij uw pensioenfonds, dan moet dit fonds het pensioendeel straks direct aan uw ex-partner uitbetalen. Een melding van de scheiding na twee leidt er toe dat het pensioendeel niet langer rechtstreeks aan uw ex wordt uitbetaald. Zij of hij moet dat deel bij u opvragen.
Deze gedeelde pensioenuitkering blijft gelden zolang u en uw ex in leven zijn. Als uw ex-partner overlijdt komt zijn of haar pensioendeel aan u toe. Leeft uw ex langer dan u, dan stopt na uw overlijden de uitbetaling aan uw ex.
In de brochure ‘Uit elkaar……’ van de Stichting Pensioenkijker.nl vindt u meer informatie over de gevolgen van scheiding voor uw aanvullend pensioen.
Op de website van Postbus 51 staat het formulier waarmee u uw scheiding bij uw pensioenfonds kunt melden.
In veel gevallen bouwt u bij uw werkgever naast het ouderdomspensioen ook een nabestaandenpensioen op. Maar dat is niet altijd het geval. Vraag bij uw werkgever of pensioenverzekeraar wat uw verzekering in dit geval uitkeert.
Een werknemer is meestal via zijn werkgever verzekerd van een pensioen bij een pensioenfonds. Daarnaast is het voor iedereen mogelijk om bijvoorbeeld een particuliere levensverzekering af te sluiten.
Wanneer aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan is het ook mogelijk als nabestaande (partner en/of kind) een sociale uitkering te ontvangen vanuit de Algemene nabestaandenwet.
Meer informatie over de Algemene nabestaandenwet.
Gelijke pensioenrechten mannen en vrouwen
Vrouwen en mannen worden gelijk behandeld: ook als het gaat om een ouderdoms- of partnerpensioen. Een vrouw die hetzelfde salaris verdient als een man heeft dus ook recht op hetzelfde pensioen.
Let op: pensioen voor nabestaanden vormt meestal een aanvulling op het inkomen. Om niet voor onaangename verrassingen te komen staan, kunt u het beste tijdig nagaan wat de financiële gevolgen zijn als u of uw partner wegvalt.
Ook voor partnerpensioen geldt het belangrijke onderscheid tussen pensioen op ‘opbouwbasis’ en pensioen op ‘risicobasis’.
Partnerpensioen op ‘opbouwbasis’
Bij een pensioen op opbouwbasis bouwt u ieder jaar kapitaal op. U spaart als het ware voor later. Het recht op het opgebouwde (partner)pensioen blijft bestaan, ook bij bijvoorbeeld ontslag of na het stoppen van de premiebetaling.
Partnerpensioen op ‘risicobasis’
Een toenemend aantal pensioenfondsen biedt een partnerpensioen ‘op risicobasis’. Bij deze pensioenvorm wordt het partnerpensioen alleen betaald als de verzekerde bij overlijden nog in dienst was bij het bedrijf waar het pensioen werd opgebouwd.
Bij overlijden tijdens een periode van werkloosheid kan er dus geen aanspraak meer worden gemaakt op het (eerder opgebouwde) partnerpensioen door de overgebleven partner.
Is het partnerpensioen op risico-basis opgebouwd, dan wordt er doorgaans niets aan de ex-partner uitgekeerd.
Let op: dit zijn algemene regels. In uw situatie kan het anders geregeld zijn, dus informeer naar hiernaar bij uw werkgever of pensioenuitvoerder.
Het recht op uitruil geldt alleen voor pensioenrechten die na 1 januari 2002 zijn opgebouwd en geldt niet bij alle pensioenen. Informeer hier naar bij uw verzekeraar.
Zodra u 65 wordt, moet u zelf een pensioenaanvraag indienen bij uw pensioenfonds of pensioenverzekeraar. Maar wat kunt u doen als u niet meer precies weet, waar het pensioen is ondergebracht? Dit zijn de mogelijkheden:
Verzekeraar bestaat niet meer
U hebt wel een bewijs van inschrijving of opgave van uw pensioenaanspraken, maar het pensioenfonds of de verzekeraar bestaat niet meer onder dezelfde naam. U kunt oude pensioenfondsen en verzekeringsmaatschappijen opsporen via de Nederlandsche Bank (DNB). DNB kan niet nagaan of u bij een bepaalde werkgever waar u in dienst bent geweest, gedurende die tijd pensioenrechten hebt opgebouwd. Er bestaat in Nederland geen allesomvattend landelijk register met de namen van burgers en hun eventuele pensioenrechten.
Geen bewijs van inschrijving en pensioeninstantie niet bekend
U hebt geen bewijs van inschrijving of pensioenopgave en de huidige naam of adres van de pensioeninstantie is niet bekend. Informeer dan bij uw voormalige werkgever of vroegere collega’s naar de naam of het adres van de pensioeninstantie.
Informeer bij een vakorganisatie of het bedrijf daar bekend is.
Als uw pensioen is opgebouwd bij een verzekeringsmaatschappij, kunt u contact opnemen met het Verbond van Verzekeraars of de Sociaal Raadslieden in uw omgeving. Zij beschikken over een volledige lijst van pensioenfondsen en verzekeraars bij u in de buurt.
Geen bewijs van inschrijving en voormalige werkgever en pensioenuitvoerder niet te vinden
U hebt geen bewijzen van een pensioenaanspraak en de vroegere werkgever en pensioenuitvoerder zijn niet meer te vinden.
Meer hulp
Als u er niet uitkomt, vraag dan hulp bij de Informatiedesk van De Nederlandsche Bank of de Helpdesk Vergeten Pensioenen van de Vereniging van Bedrijfstakpensioenfondsen
Pensioenfondsen beheren het merendeel van het opgebouwde pensioenvermogen. Verzekeringsmaatschappijen beheren het geld van pensioenen die de werkgever bij een verzekeraar heeft ondergebracht.
Bedrijfstakpensioenfonds
Een bedrijfstakpensioenfonds voert een pensioenregeling uit die is gebaseerd op een afspraak tussen werkgevers in één bepaalde bedrijfstak. De meeste bedrijfstakpensioenfondsen zijn bij de Vereniging van bedrijfstakpensioenfondsen aangesloten.
Ondernemingspensioenfonds
Een onderneming die niet onder een bedrijfstakpensioenfonds valt, kan besluiten zelf een pensioenfonds op te richten. Voorbeelden daarvan zijn Shell, Akzo en KLM. Maar er zijn ook kleine ondernemingen met een eigen pensioenfonds. Hoewel een ondernemingspensioenfonds een zeer nauwe band heeft met een bedrijf, staat een dergelijk fonds juridisch gezien los van dat bedrijf en is bijvoorbeeld niet aansprakelijk voor schulden van de onderneming. In het bestuur van een ondernemingspensioenfonds moeten minstens evenveel vertegenwoordigers van de werknemers als van de werkgever zitten. De Stichting voor Ondernemingspensioenfondsen is de belangenorganisatie van deze fondsen.
Beroepspensioenfonds
Een beroepspensioenfonds voert een pensioenregeling uit die is gebaseerd op een overeenkomst tussen de zelfstandige beroepsbeoefenaren binnen een bepaalde beroepsgroep. De overheid kan een gehele beroepsgroep verplichten aan een beroepspensioenregeling mee te doen. Die verplichting wordt opgelegd als een of meer organisaties die een representatieve meerderheid vertegenwoordigen van de beroepsbeoefenaren daarom vraagt. De overkoepelende organisatie is de Unie van Beroepspensioenfondsen.
Verzekeringsmaatschappijen
Uw werkgever kan de pensioenregeling voor u en uw collega’s onderbrengen bij een verzekeringsmaatschappij. Uw werkgever kan u ook in staat stellen een individuele pensioenovereenkomst af te sluiten bij een verzekeraar. Het Verbond van Verzekeraars is de overkoepelende organisatie van verzekeringsmaatschappijen.
De nieuwe Pensioenwet is op 1 januari 2007 in de plaats gekomen van de Pensioen- en Spaarfondsenwet. De Pensioenwet heeft als uitgangspunt dat pensioenfondsen in principe altijd voldoende geld in kas moeten hebben om de pensioenen uit te keren, met een financiële buffer voor onzekerheden. Om dat te waarborgen worden strenge eisen gesteld aan de financiële reserves van pensioenfondsen. Andere belangrijke wettelijke verplichtingen zijn:
Het toezicht op het goed uitvoeren van de wettelijke regels is in handen van de Nederlandsche Bank en de Autoriteit Financiële Markten (AFM). De AFM let er op of de voorlichting voldoet aan de wettelijke eisen en de bank kijkt vooral naar de financiële situatie van de pensioenfondsen.
Pensioenfondsen krijgen langere hersteltermijn
20 februari
Minister Donner van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft, na overleg met De Nederlandsche Bank (DNB), besloten dat pensioenfondsen langer de tijd krijgen om hun reserves op peil te brengen. De wettelijke hersteltermijn van drie jaar wordt tijdelijk verlengd naar maximaal vijf jaar. De pensioenfondsen moeten nu wel aangeven wat zij gaan doen als de komende jaren zou blijken dat het hen niet lukt om binnen vijf jaar hun reserves op peil te brengen.
Maximaal 5 jaar uitstel omzetten deel pensioenbeleggingsverzekering
10 februari 2009
Minister Donner heeft samen met staatssecretaris De Jager van Financiën besloten dat mensen met een pensioenbeleggingsverzekering op de datum van hun pensioen de inkoop van een deel van hun pensioen mogen uitstellen met maximaal 5 jaar. Dit uitstel geldt voor mensen die uiterlijk over 5 jaar – vóór 1 januari 2014 – met pensioen gaan. Dit blijkt uit de antwoorden die Donner 5 februari 2009 gaf op vragen uit de Tweede Kamer.
Indexatietabel in 2009 van start
Vanaf 1 januari 2009 moeten de pensioenfondsen en verzekeraars werknemers en gepensioneerden ook via een plaatje informeren over de gevolgen van gestegen prijzen op hun pensioenen. Zij gaan dan het toeslagenlabel, het zogenoemde indexatielabel, gebruiken. Werknemers en gepensioneerden kunnen zo zien of hun pensioen in de toekomst zijn koopkracht behoudt.
Voor algemene vragen aan de rijksoverheid kunt u gratis bellen met de Postbus 51-infolijn, telefoon 0800 8051, of raadpleeg www.rijksoverheid.nl